Kwalificatie van de arbeidsovereenkomst: de intentie van partijen is niet langer van belang

Op vrijdag 6 november 2020 deed de Hoge Raad een belangrijke uitspraak over de beoordeling van de arbeidsrelatie (ECLI:NL:HR:2020:174). De bedoeling van partijen is niet langer relevant bij de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst.

In opgenoemde zaak ging het om een uitkeringsgerechtigde vrouw die, met behoud van haar uitkering, in het kader van haar re-integratie werkzaamheden heeft verricht bij de gemeente op een zogeheten participatieplaats. De vrouw heeft na afloop van de periode een premie ontvangen omdat zij voldoende had meegewerkt aan het participatietraject. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij dezelfde werkzaamheden verrichtte als uitzendkrachten en dat er daarmee sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst. Zij meent recht te hebben op betaling van het bij de door haar uitgevoerde functie behorende loon.  

De kantonrechter en het hof hebben haar daarin niet gevolgd waarop de vrouw beroep in cassatie instelt. Het oordeel van de Hoge Raad is als volgt: waar het om gaat, is of de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, dus arbeid, loon & gezagsverhouding (art. 7:610 BW). Als aan deze kenmerken is voldaan, is altijd sprake van een arbeidsovereenkomst, ongeacht de intentie van partijen.

De Hoge Raad stapt met deze uitspraak af van het welbekende arrest Groen/Schoevers. In dit arrest heeft de Hoge Raad in 1997 bepaald dat moet worden gekeken naar de bedoeling van partijen en naar de feitelijke uitvoering van de overeenkomst om te kunnen vaststellen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daar lijkt nu een einde aan te zijn gekomen.

De kwalificatie van een overeenkomst moet volgens de Hoge Raad wel apart worden gezien van de vraag welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen. Nadat de rechter de overeengekomen rechten en verplichtingen heeft uitgelegd en vastgesteld kan daarna worden gekeken of de overeenkomst tussen partijen voldoet aan de vereisten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst (arbeid, loon en gezag) en deze ook als zodanig kwalificeren.

Een interessante uitspraak die grote impact kan hebben op verdere beoordeling van arbeidsrelaties en de rechtsverhouding tussen partijen.