Verrekenen van minuren met plusuren in corona-tijd in strijd met artikel 7:628

Tijdens de corona crisis wil een groot aantal bedrijven een urenbank invoeren. Waar moet u als werkgever op letten als deze wordt ingevoerd? Een kritische blik op de noodzaak van het invoeren van een urenbank in corona-tijd is geboden. Aan de orde komt het vonnis in kort geding van 6 mei 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:1826).

Een bedrijf uit Emmeloord heeft vorig jaar een urenbank ingevoerd als gevolg van de coronacrisis. De urenbank hield in dat in de periode tussen 14 april en 1 september 2020 minuren werden opgebouwd doordat met verschoven dienstroosters werd gewerkt. Deze minuren moesten door de werknemers uiterlijk 14 april 2021 (binnen 12 maanden na aanvang) weer zijn ingehaald door het maken van plusuren of inhaaluren. Het loon van de werknemers werd in de tussentijd wel volledig doorbetaald. Een resterend saldo aan minuren zou op 14 april 2021 komen te vervallen. De afspraak was gebaseerd op een bepaling in de toepasselijke CAO. De vakbond FNV ging, na het aflopen van de looptijd van de CAO, over tot aankondiging van collectieve acties, bestaande uit het weigeren van overwerk.

Het bedrijf zijnde de werkgever had vervolgens aan de werknemers die staakten een waarschuwingsbrief gestuurd en medegedeeld dat de niet gewerkte inhaaluren zouden worden verrekend met het loon. In de procedure, die aan de orde is, komt FNV op tegen de door de werkgever verzonden waarschuwingsbrieven en inhouding van het loon. De voorzieningenrechter heeft FNV in het gelijk gesteld.

Normaal gesproken is het juist dat bij staking niet gewerkte uren niet worden uitbetaald door de werkgever. Echter hier is sprake van een bijzondere situatie, zo oordeelt de voorzieningenrechter.
Artikel 7:628 BW (geen arbeid wel loon, tenzij) schrijft voor dat een werkgever verplicht is het loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Dat de werkgever genoodzaakt was in verband met de coronapandemie haar werkwijze aan te passen, waardoor werknemers verhinderd werden hun volledige arbeid te verrichten, is, aldus de voorzieningenrechter, een omstandigheid die ligt in de risicosfeer van de werkgever.