Discriminatie op de werkvloer, verbod op het dragen van een hoofddoek te rechtvaardigen?

Het Europees Hof stelt in een uitspraak van 15 juli 2021 nadere strengere eisen aan de beweegredenen van werkgevers voor religieuze kledingverboden onder andere het dragen van een hoofddoek.

Volgens het Europees Hof mag een werkgever elke zichtbare uitingsvorm van religieuze overtuigingen op het werk verbieden, als de werkgever daarmee een neutraal imago nastreeft. De werkgever moet wel kunnen bewijzen dat een verbod op religieuze symbolen op de werkvloer noodzakelijk is. De werkgever moet zodoende bewijzen dat bijvoorbeeld een hoofddoek van een werknemer de onderneming schade berokkent.

Het enkele feit dat een klant of personeelslid bezwaar maakt tegen een hoofddoek is onvoldoende om een verbod op het dragen van een hoofddoek te rechtvaardigen. Een beleid specifiek gericht op het verbieden van uitsluitend een hoofddoek op het werk is niet toegestaan.

Aanleiding in voornoemde zaak was dat twee Duitse vrouwen een hoofddoek willen dragen op het werk. De ene vrouw werkt in de kinderopvang en de ander in een drogisterij. De werkgevers vragen de vrouwen hun hoofddoek af te doen. De vrouwen weigeren dat waarna de geschillen worden voorgelegd aan twee Duitse rechters.

Deze rechters vragen het Europees Hof van Justitie om duidelijkheid. Het gaat dan met name om de interpretatie Richtlijn 2000/78 / EG-richtlijn van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. De Richtlijn stelt een algemeen kader vast voor het realiseren van gelijke behandeling in arbeid en beroep. Het nationale recht moet in overeenstemming zijn met deze EU-richtlijn.

Uit voornoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie blijkt dat naast de strengere eisen aan de beweegredenen van werkgevers voor religieuze kledingverboden, de lidstaten meer ruimte krijgen om werkgevers te vragen meer tolerantie op te brengen voor religieuze uitingen. Daarmee nuanceert het Europees Hof eerdere uitspraken. Het Hof verplicht lidstaten hier echter niet toe. (Vindplaats: ECLI:EU:C:2021:594).