Wilsrechten

Indien iemand overlijdt en geen testament heeft gemaakt, bepaalt de wet wie de erfgenamen zijn. Als erflater  een echtgenoot en ten minste één kind heeft achtergelaten, dan is de zogenoemde “wettelijke verdeling” van toepassing. Kort en simpel gezegd betekent dit dat de langstlevende is gerechtigd tot de gehele nalatenschap en het kind (of de kinderen) – hoewel zij erfgenaam zijn – slechts een vordering in geld krijgen op de langstlevende. Die vordering zal – uitzonderingen daargelaten –  pas opeisbaar zijn bij het overlijden van die langstlevende. Doorgaans wordt deze regeling – althans in een “gewone” gezinssituatie – redelijk gevonden.

 

Hertrouwen langstlevende

Wat gebeurt er als  een ouder na een scheiding of na het overlijden van de eerste ouder hertrouwt en die ouder vervolgens – zonder het maken van een testament – overlijdt? Ook dan is de wettelijke verdeling van toepassing; immers erflater laat in dat geval (ook) een echtgenoot en kinderen na. In die gevallen krijgen de kinderen  een niet opeisbare vordering op de stiefouder  en daar wringt vaak een schoen. Daar waar kinderen het doorgaans normaal vinden dat sprake is van een niet opeisbare vordering op de eigen ouder, voelt dat vaak anders als het een stiefouder betreft. Een stiefouder heeft net als een eigen ouder feitelijk het recht om het (nalatenschaps)vermogen naar eigen inzicht aan te wenden en vaak bestaat de angst dat er bij het overlijden van de stiefouder niets meer voor de kinderen over zal zijn. Een vraag die veel opkomt is of de kinderen iets aan die situatie kunnen doen.

 

Wat kunnen kinderen mogelijk doen?

Als u als kind als gevolg van de (wettelijke) verdeling een vordering heeft verkregen op uw (stief)ouder, kunt u mogelijk voorkomen dat de gehele erfenis wordt opgemaakt door gebruik te maken van de in de wet opgenomen wilsrechten (artt. 4: 19 e.v.). Deze wilsrechten gelden alleen als zij niet bij testament zijn uitgesloten of beperkt.  De wilsrechten kunnen zowel tegen een eigen ouder als jegens een stiefouder worden ingeroepen. Indien u gebruik zou kunnen maken van een wilsrecht, dan zijn er, afhankelijk van de situatie waarin u zich bevindt, (kort gezegd) twee opties. U kunt een beroep doen op een bloot-eigendomswilsrecht of een vol-eigendomswilsrecht.

 

Bloot-eigendomswilsrecht

Het bloot-eigendomswilsrecht kan worden ingeroepen tegen de eigen (langstlevende) ouder als deze aangifte heeft gedaan van het voornemen om opnieuw in het huwelijk te treden (ondertrouw), of jegens de stiefouder. Hoewel bij de eigen ouder de voorwaarde wordt gesteld van het opnieuw in het huwelijk willen treden, geldt deze voorwaarde voor de stiefouder niet. Tegenover een stiefouder kan een kind derhalve strikt genomen direct een beroep doen op het wilsrecht. Als een kind een – niet opeisbare – vordering heeft verkregen en een beroep doet op dit wilsrecht, dan is de (stief)ouder verplicht goederen (uit de nalatenschap) over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering. De overdracht vindt – tenzij de (stief)ouder daarvan afziet – plaats onder het voorbehoud van vruchtgebruik. Dat betekent dat het kind een bloot eigendomsrecht verkrijgt en de (stief)ouder het vruchtgebruik. De (stief)ouder mag het goed dus zelf blijven gebruiken, maar bij zijn/haar overlijden wast het bloot eigendomsrecht automatisch aan tot een vol eigendomsrecht. Een kind krijgt derhalve in beginsel meer zekerheid dan wanneer hij/zij alleen een niet opeisbare vordering op de langstlevende (stief)ouder zou hebben.

 

Vol-eigendomswilsrecht

Een vol-eigendomswilsrecht kan worden ingeroepen op het moment dat de vorderingen van de kinderen opeisbaar zijn geworden. De wet onderscheidt twee situaties. Art. 4:20 BW ziet op het geval waarin een kind een vordering heeft gekregen op zijn langstlevende ouder, die ouder opnieuw in het huwelijk is getreden en is komen te overlijden en art 4:22 BW op de situatie waarin het kind een vordering op de stiefouder heeft gekregen als gevolg van het overlijden van zijn ouder, en die stiefouder (ook) is overleden.  Een kind kan in voorkomende gevallen bij (de erfgenamen van de) stiefouder zijn vordering (in geld) opeisen, maar kan desgewenst in plaats daarvan ook om overdracht van goederen verzoeken (ter hoogte van maximaal zijn vordering). Bij gebruikmaking van deze wilsrechten wordt een vol eigendomsrecht verkregen dat niet kan worden beperkt door een vruchtgebruik (tenzij bij testament anders zou zijn bepaald).

 

Inroepen van een wilsrecht

De wet kent, zoals hiervoor omschreven, vier momenten waarop een kind een wilsrecht kan uitoefenen, namelijk:

  1. op het moment dat de (langstlevende) echtgenoot aangifte doet van zijn voornemen om opnieuw in het huwelijk te treden (de vordering van het kind is niet opeisbaar geworden, maar hij kan wel een beroep op het wilsrecht doen);
  2. op het moment dat de (langstlevende) echtgenoot – die opnieuw in het huwelijk is getreden – overlijdt als gevolg waarvan de geldvordering van het kind dat is ontstaan na het overlijden van de eerste ouder opeisbaar is geworden;;
  3. op het moment dat de ouder overlijdt en het kind een niet-opeisbare geldvordering op zijn stiefouder verkrijgt;
  4. op het moment dat de stiefouder overlijdt waardoor de geldvordering van het kind op de stiefouder opeisbaar is geworden.

 

Testament

Bij testament kunnen wilsrechten worden uitgebreid, beperkt of zelfs worden uitgesloten. Dit kan zowel ten voordele als ten nadele het van een kind worden gedaan. Als er een testament is opgesteld, dan is het dus aan te raden om eerst te bezien of daarin bepalingen ter zake de wilsrechten zijn opgenomen.

 

Herkent u zich in de hierboven geschetste situatie(s) en vraagt u zich af of, en zo ja hoe, u gebruik kunt maken van een wilsrecht? Wordt medewerking door de (stief) ouder geweigerd, of worden er andere goederen overgedragen dan gewenst,  dan kunt u uiteraard altijd contact met ons opnemen.