Een werknemer is een dienstverband aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van een jaar. Kennelijk nam de werkgever het niet zo nauw met de administratieve kant van de zaak, want er was geen schriftelijke overeenkomst getekend. Werknemer volgde in de tijd van de baas cursussen VGA en asbest en slaagde daarvoor. Ondanks diverse verzoeken van de werknemer ontving hij van zijn werkgever de daarbij behorende certificaten. Werknemer meende verder dat hij te weinig betaald kreeg. Hij was dermate ontevreden dat hij op een goed moment via Whatsapp aan zijn werkgever liet weten dat hij niet meer zou komen. Een maand later ontving hij een aangetekende brief, waarin de werkgever aanspraak maakt op schadevergoeding vanwege het feit dat de werknemer bij de opzegging de wettelijke opzegtermijn van één maand niet in acht had genomen.
De kantonrechter oordeelde dat uitgangspunt bij opzegging van een arbeidsovereenkomst is dat zowel de werkgever als de werknemer een opzegtermijn in acht moeten nemen. Op grond van artikel 7:672 lid 4 BW geldt voor de werknemer een wettelijke opzegtermijn van één maand ongeacht hoe lang de arbeidsovereenkomst heeft geduurd. De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is aan de andere partij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van de opzegtermijn. De werknemer in deze kwestie moest derhalve een heel maandsalaris aan zijn werkgever betalen bij wijze van schadevergoeding. Omdat hij geen beroep op matiging had gedaan, kreeg hij de volle maand voor zijn kiezen.
Een Whatsapp is snel verstuurd, maar in dit geval kwam het de werknemer duur te staan.